God,

Het is weer voorbij, de veertigdagentijd, tijd van bezinning op leven en sterven. Voorbij Pasen, verrijzenis, bezinning op eeuwig zijn.

Het is nogal wat hè, wat we te geloven krijgen voorgeschoteld. Daarbij komen dan nog je eigen belevingen en belevenissen. Ik heb U daar al wel eens eerder over geschreven en ik zal me mijn hele levensduur wel blijven afvragen hoe het in elkaar steekt: weg van de wereld in de nachtelijke rust tot herstel van leven. Weg, ingeslapen, de eeuwige rust.

Wat zal er voor verschil zijn.

Heel nadrukkelijk werd ik er weer op gedrukt bij een crematie, kortgeleden. Een vriend van Sebastiaan overleed vredig, na een kort, maar, naar mensenmaat, onverdiend zwaar lijden.

Een indrukwekkende uitvaart en afscheid in het crematorium. Er sprak een mevrouw die kennelijk lang met de overledene had samengewerkt in dienstverlenend vrijwilligerswerk. Aan het slot van haar 'in memoriam' zei ze zoiets als: "Sommigen onder ons weten zeker dat onze geliefde dode nu gelukkig is voor Gods troon. Anderen hebben alleen maar de hoop, dat zijn dood niet het absolute einde is van zijn bestaan. In elk geval zal hij leven, in gedachten, in herinnering, in geschiedenis."

Ik kwam niet uitgedacht toen ik weer thuis was en alleen.

Heer, U hebt ons toch niet ten leven gewekt om met één zucht van Uw adem onze kaars voor eeuwig te doven. Zoudt U zomaar kunnen teniet doen wat U hebt doen worden naar Uw beeld en gelijkenis.

Ach, goede Vader, bewaar ons in Uw al- en eeuwig zijn, Sebastiaan, zijn vriend en mij. Laat het voorgoed Pasen zijn en Hemelvaart voor al Uw kinderen. Dat bidt Uw liefhebbende dochter,
Martha