God,

Goede Week en Pasen, voorbij alweer. Over wat er de afgelopen weken in mij omging zou ik wel drie brieven kunnen volschrijven.

Het zal me moeite kosten, het een beetje uit elkaar te rafelen wat als een wir-war in mijn hoofd huist. Als ik de knopen heb ontbonden en op een rijtje kan zetten wat ik bedoel te zeggen, zullen het nog vragen blijven zonder antwoord, denk ik. U zegt niets en laat mij mijn twijfels.

Vroeger kon ik heel ontroerd en heel diep de dagen van de Goede Week beleven. Aan de hand van de evangelisten Jezus volgen op zijn gang naar het einde. Even een teken van hoop op Witte Donderdag. Op Goede Vrijdag als apotheose de vier stemmen als klokken die Jezus' verhaal als een Bach-passie de menigte kerkgangers overspoelden ... Ah, mooi was dat!

Daarna ... water vuur en licht; verrijzenis, het was zo'n vanzelfsprekende zekerheid. Eeuwig leven onmiskenbaar.

Paaszaterdag nu heb ik bij Sebastiaans graf gestaan. God, is mijn maatje werkelijk daar, waar hij geloofd heeft te zullen komen als zijn aardse weg ten einde was?

Zal ik ook ....?

Soms als ik uit een droomloze slaap wakker word denk ik: als ik nu was gestorven zou ik het niet hebben gemerkt. Dan was er het niets van de slaap naar het niets van de dood.

Na een narcose waar je zalig in weggeëbd bent word je ook wakker uit een
niets en sukkel je zoetjes aan het weten weer in. Je leefde, je leeft nog, leeft weer. Zou je van sterven dan ook wakker worden en leven ergens ver in Uw eeuwigheid?

Vragen, vragen! U geeft geen antwoord, Sebastiaan geeft geen antwoord en ik weet het niet.

Maar God, ik kan het niet geloven dat leven en zeker leven-in-ellende en omkomen door honger en geweld om niet is.

Elke mens, geboren, is een vonk van vreugde, een vonk van toekomst.

Toekomst van een biologisch verschijnsel, mens? Toekomst van een uniek wezen, mens, door U ten leven geroepen om voor eeuwig Uw glorie te zijn?

Ja toch, Heer, gelooft in de gemeenschap van Uw "geheelden", vergeving van schuld, opstanding tot eeuwig verblijf bij U,
Uw liefhebbend kind

Martha