God,

Uw schepping loopt hier ver vooruit op het seizoen en op het kerkelijk jaar. Als je goed om je heen hebt gekeken, zag je in februari reeds alle kleuren lentebloemen en een rijke schakering van milde prille groenen aan bomen en struiken.

Bij die vroege voorjaarsovervloed aan levensdrang is het moeilijk om aan onttakeling en dood te moeten denken. Toch stond de veertigdagentijd nog te beginnen en moesten we nog langs passie- en palmzondag naar het dieptepunt van de lijdensweek, voordat de paasvreugde zich kan meten met het zo onstuimig uitbrekende leven.

Toen ik op een eenzame wandeling liep te genieten van die overweldigende schoonheid moest ik terugdenken aan de plechtigheden van de goede week,
vele, vele jaren geleden. De diepe duisternis. Was het toen echt donkerder? Vier dagen het hele lijdensverhaal gelezen. De sonore stemmen van de lezers verzachtten ietwat de penitentie van het lange staan, het ongemakkelijke zitten en de harde knielbanken. Witte donderdag, even giebelen bij de voetwassing en intens biddend en zingend bij de processie, dan de ratels. Op zaterdag de klokken, het orgel, het halleluja, allemaal voor ons, voor ons alleen, verbeelding van Jezus' lijden, zijn dood, zijn verrijzenis.

Nu hebben we in de kranten, op radio en televisie de hele wereld binnen ons bereik, gewild en ongewild.

God, we worden geconfronteerd met lijden en dood van miljoenen mensen door rampen, oorlogen, ziekte, haat en tweedracht.

Onze vieringen nu zijn wat soberder, maken ons meer deelgenoot van het stervend en levenwekkend gebeuren.

Ze dwingen ons ook meer deelgenoot te zijn van de verdrukten, van de lijdenden onder uw schepselen, de wereld over.

Heer laat vonken van ons paasvuur, van ons goed-willen overspringen opdat er verrijzenis mag zijn nu en in eeuwigheid. Velen zullen het bidden met mij.

Uw liefhebbende dochter Martha