God,

Van huis uit heb ik meegekregen om trouw te zijn. Trouw aan je woord, trouw aan jezelf, trouw aan je overtuiging als je denkt dat het voor jou de enig juiste is, trouw aan wat je op je hebt genomen. Ik wil me daar oprecht aan houden. Ik schrijf U dan ook trouw.

Denkt U nou nooit eens: "Hè, hè, daar heb je haar weer?" Als ik naga waarmee ik bij U de afgelopen tijd op de klep ben gekomen, en wat ik allemaal nog aan U kwijt moet.... Het is een eindeloosheid van woorden en gedachten, eentonig als een rozenhoedje van loodzwarte kralen. Steeds dezelfde zorg, dezelfde verontruste ondertoon: hoe moet het toch verder met onze wereld, met onze kerk, met ons, dom mensengeslacht?
Waarover zal ik nu tot U spreken? De schuldige, dode keizer, de terdoodveroordeelde schrijver, de godsdienstige leider die politieke gevangenen laat ombrengen, de kinderfolteraars in Irak? Of hebben we het over de vermoorde Stompie, de gesel van oorlog en honger, de vervuiling van Uw schone schepping of de honderdzoveel theologen?

Welke krant, welk boek of tijdschrift je ook opslaat, het kwaad, het onheil komt op je af, vaak zonder verder enig lichtpuntje. Ik ben beslist niet zwartgallig, maar als ik bij mezelf naar binnen kijk, blijft toch dat negatieve het meest en het langst hangen.
U wilt dat kwaad, dat onheil en die dood niet over ons. U geeft ons immers telkens weer Uw tekenen van hoop: het sneeuwklokje dat uit de koude aarde piept, de merel die nestelt, de zwellende knop aan de kale tak, de mens die zich inzet voor het wèl in de wereld.

Het is bijna Pasen, de verrijzenis van Uw Zoon, onze broeder. In Hem mogen wij zien dat opstaan uit de donkere nacht van lijden en dood mogelijk is; dat het ook voor ons is weggelegd als we Hem volgen in woord en daad.

Heer, ik bid U, geef ons een zalig Pasen.

Uw liefhebbende Martha.