God,

Dit voorjaar worden we vrijwel iedere morgen nog voor het echt licht is wreed gewekt. Op het dak van ons huis, of op dat van de buren zit een duif met zijn lokroep luidruchtig de aandacht vast te houden van zijn partner een paar daken verder.

Haar antwoord is even lawaaierig en oorkwellend. "Daar is dat lompe volk weer", zegt Sebastiaan. Na deze constatering draaien we ons nog even om; op onze leeftijd hoeven we tenslotte niet meer voor dag en dauw op. Ik deel Sebastiaans mening: "Duiven zijn ontzettend stomme beesten."

We hebben het eens meegemaakt dat er één een mislukte landing uitvoerde bovenop een lantarenpaal en pardoes plofte hij op straat vlak voor onze auto, morsdood.

Als de turkse tortels, die kennelijk in de buurt nestelen, in de tuin komen, waggelen ze onelegant om het vogelbad heen. Wordt de dorst hun toch te erg, dan proberen ze op de rand van het bekken te blijven en de poten droog te houden. Vaak lukt dat niet zo best en dan kiepen ze gewoon voorover in het water. Een mus, een merel en een mees gaan willens en wetens kopje onder en spetteren de hele zaak kletsnat, een duif niet.

Waarom schrijf ik U nu dit duivenverhaal? Wel, ik lag me vanmorgen bij al het kabaal af te vragen: "Zouden in vroegere tijden duiven andere vogels zijn geweest dan nu?"

De bijbel kent heel wat verzen over lieflijke, mooie en slimme duiven. In het Hooglied mijn duifje en de klare duive-ogen. De duif van Noach die op verkenning wordt gestuurd. De geest die neerdaalt in de gedaante van een duif. Het offer van een koppel duiven vermocht U te verzoenen met de zondaar. Duif symbool van vrede. Onvoorstelbaar als je die bolle sukkels van onze tijd beziet.

Of heeft ook dit zo zijn betekenis, Heer? Jezus leert ons dat U, onze God, het kleine, het niet-wetende, het zwakke liefhebt. Dat ze misschien meer nog dan de sterken, de wijzen en de alles-wetenden een ruime plaats hebben in Uw bestel.

Goed, dan nog maar een beetje duif op het dak, het zal wel wennen. Alles heeft zijn tijd nietwaar.

U groet,
Uw dochter Martha